Monitoring en evaluatie: de sleutels tot duurzame onderwijsverbetering
Het is een herkenbaar beeld op veel basisscholen: Een schooljaar lang staat leesonderwijs centraal. Er wordt geschoold, gezamenlijk voorbereid en enthousiast gestart. Een jaar later verschuift de focus en wordt het team getraind op rekendidactiek, executieve functies of burgerschap. Niet omdat het leesonderwijs ‘af’ is of elke leerkracht de aanpak al heeft verankerd in het dagelijks handelen, maar omdat we ons realiseren dat al die andere zaken ook zo belangrijk zijn voor de ontwikkeling van de leerlingen.
Die beweging is begrijpelijk, maar levert helaas niet altijd de gewenste resultaten voor leerlingen op (). Onderwijsontwikkeling vraagt niet om een estafette van losse thema’s, maar om focus en een langdurig en doordacht implementatieproces. Juist dat is in de praktijk vaak een uitdaging.
Deze blog laat je zien dat het niet alleen van belang is om te onderzoeken wat er aan de hand is en vervolgens een onderbouwde aanpak te kiezen, maar dat juist de manier waarop we die invoeren, volgen en bijstellen ook bijdraagt aan de uiteindelijke impact voor leerlingen.
In deze blog nemen we je mee in monitoring en evaluatie van implementatie in het basisonderwijs, gebaseerd op inzichten uit de Implementation Guide van de Education Endowment Foundation (EEF) en de vierde masterclass die Tijana Prokic hierover verzorgde voor het ONA Teacher in Residence traject. Je leest wat implementatie écht vraagt, hoe monitoring helpt om gericht bij te sturen en hoe dit leidt tot duurzame verbetering in plaats van tijdelijke vernieuwing.
Vernieuwing of verbetering? Eerst scherpstellen waar je staat
Een cruciale eerste stap wordt vaak overgeslagen: vaststellen waar je school instapt in het verbeterproces. In de schoolpraktijk zien we twee verschillende situaties:
- Onderwijsvernieuwing: “We hebben een nieuwe aanpak voor ons leesonderwijs nodig.”
Er is nog geen gezamenlijke werkwijze en de school verkent wat kansrijk is. - Onderwijsverbetering: “We hebben een aanpak, maar die voeren we (nog) niet goed of volledig uit.” De uitdaging zit niet in wát je doet, maar bijvoorbeeld in hoe consequent en goed het hele team de aanpak uitvoert. Bij onderwijsverbetering hoort dat je behoudt wat je al goed doet en daarop verder bouwt.
Dit onderscheid is essentieel. Wie verbetering behandelt als vernieuwing, blijft nieuwe ideeën stapelen. Wie vernieuwing behandelt als verbetering, verwacht te snel routinegedrag. Monitoring helpt om dit scherp te houden.
Implementatie is geen project, maar een iteratief leerproces
Implementatie is een continu en iteratief verbeterproces en nooit een eenmalig plan dat je ‘uitrolt’.
Effectieve scholen werken cyclisch:
1. Ze formuleren een helder implementatiedoel.
2. Ze kiezen strategieën die dat doel ondersteunen.
3. Ze monitoren regelmatig hoe de uitvoering verloopt.
4. Ze leren en stellen bij.
5. Ze borgen wat werkt en passen het plan aan waar nodig.
Die discipline, waarbij steeds terug wordt gekeerd naar het plan, voorkomt dat teams ongemerkt terugvallen in oude routines of essentiële onderdelen laten verwateren.
Binnen het implementatieproces kunnen we kijken naar zeven implementatiedoelen die ons iets vertellen over de succesvolle invoering van de aanpak. Hieronder lichten we ze kort toe.
Zeven cruciale implementatiedoelen
1. Acceptatie: staan leraren achter de aanpak?
Acceptatie gaat over draagvlak, begrip en motivatie. Geloven leraren dat deze aanpak bijdraagt aan beter onderwijs? Zien zij de urgentie en relevantie?
Voorbeeld: In de praktijk kun je zicht krijgen op acceptatie door bijvoorbeeld korte stoplichtmetingen uit te voeren, mini-interviews of teamgesprekken te voeren. Deze instrumenten maken snel zichtbaar waar zorgen leven. Bijvoorbeeld “Het kost teveel tijd” of “Ik zie het nut niet”.
Lage acceptatie vraagt niet om meer controle, maar om uitleg, dialoog en gezamenlijke visie.
2. Fidelity: voeren we uit wat ertoe doet?
Fidelity verwijst naar de mate waarin de kerncomponenten van een aanpak worden uitgevoerd zoals bedoeld. Niet alles is even belangrijk; juist de werkzame elementen doen ertoe.
Voorbeeld: Bij een schoolbrede gedragsaanpak zijn microcorrectie en positieve bekrachtiging van gewenst gedrag geen ‘extra’s’, maar de kern. Observaties met een kijkwijzer of videoanalyse maken zichtbaar of de werkzame elementen aanwezig zijn tijdens de lessen.
3. Bereik: wie doet er mee?
Bereik gaat over deelname. Hoeveel leraren voeren de aanpak daadwerkelijk uit en nemen deel aan scholing of coaching?
Voorbeeld: als slechts 60% meedoet, is het te vroeg om conclusies te trekken over de resultaten van de aanpak. Eerst moet de olievlek groter worden.
4. Gebruik: hoe regelmatig en consequent?
Een aanpak kan inhoudelijk sterk zijn, maar bijvoorbeeld te weinig worden ingezet. Dan ontstaat onderdosering.
Voorbeeld:Afgesproken is om drie keer per week een kwartier interactief te werken aan automatisering bij rekenen, maar in de praktijk blijft het bij één keer. Roosterchecks of korte logboekjes die de leerkrachten bijhouden maken dit snel zichtbaar.
5. Bekwaamheid: kunnen leerkrachten dit?
Willen is iets anders dan kunnen. Bekwaamheid gaat over vaardigheden, kennis en vertrouwen. Soms wordt tijdens implementatie alleen aandacht besteed aan theoretische scholing van leerkrachten, terwijl kennis over professionalisering ons laat zien dat coaching, voorbeeldlessen en oefenen krachtige mechanismes zijn om een aanpak te doen landen in het handelen (EEF-Effective-Professional-Development-Guidance-Report.pdf).
Voorbeeld: Onder andere vaardigheidsscans, coachingobservaties of microteaching kunnen laten zien waar gerichte ondersteuning nodig is.
6. Haalbaarheid: past het binnen onze context?
Soms is de aanpak goed, maar wringt hij met tijd, rooster of groepssamenstelling. Dan is aanpassen nodig.
Het is wel belangrijk om onderscheid te maken in wat je mag aanpassen (tijd inkorten, frequentie bijstellen) en wat je niet mag aanpassen (kerncomponenten schrappen).
7. Ondersteuning: is de school goed ingericht?
Geen enkele aanpak overleeft zonder leiderschap, tijd, materialen en coaching. Monitoring maakt zichtbaar of randvoorwaarden daadwerkelijk worden gerealiseerd.
Monitoring gaat niet over leerlingopbrengsten, maar over de kwaliteit van de uitvoering. Als een team een aanpak duurzaam wil invoeren in de school, is het aan te raden om een implementatieplan te schrijven. Zonder plan is er geen norm waar je op kunt reflecteren en inzichten over op kunt doen. Zonder inzichten kun je niet gericht verbeteren. Van tevoren denken (kern)teams daarom samen na over de vraag:
Waar richt monitoring zich op?
Wanneer is de implementatie van de aanpak een succes en wat is ervoor nodig om dit tot een succes te maken?
De centrale vraag voor implementatie is telkens: Is de aanpak op de juiste manier verankerd in het handelen van alle leerkrachten?
Monitoring vraagt altijd:
- Wat wilden we doen?
- Wat doen we in werkelijkheid?
- Hoe groot is het verschil?
Tijdens monitorproces ga je als het ware op zoek naar bewijs. Monitoring laat bijvoorbeeld zien:
- Welke stappen lastig zijn
- Welke materialen ontbreken
- Welke didactische componenten goed landen
- Waar leerlingen vastlopen
Van data naar leren: monitoring als motor voor bijstelling
Het implementatieplan maakt zichtbaar hoe je gaat onderzoeken hoe stevig de aanpak in de school staat. Daarvoor beschrijf je niet alleen wie wat volgt op welke manier, maar vooral ook hoe het team de opgehaalde gegevens gebruikt om het implementatieproces bij te stellen.
Implementatieproblemen ontstaan meestal niet omdat de aanpak zelf slecht is, maar bijvoorbeeld omdat leerkrachten de aanpak bijvoorbeeld nog niet begrijpen (acceptatie) of de aanpak nog niet in de routine past (gebruik, haalbaarheid).
In de praktijk hangen deze implementatiedoelen heel vaak met elkaar samen: het zijn communicerende vaten. Er doen bijvoorbeeld onvoldoende leerkrachten mee (bereik), omdat een aantal leraren het nut van de aanpak niet inzien (acceptatie). Of elementen uit de aanpak wordt niet goed uitgevoerd (fidelity), omdat de benodigde vaardigheden nog niet zijn ingeoefend (bekwaamheid) en coaching ontbreekt (ondersteuning). Monitoring maakt duidelijk op welk gebied je bewuste interventies kunt inzetten, zodat leerkrachten de aanpak willen én kunnen inzetten zoals jullie hebben afgesproken. Het is belangrijk om als (kern)team goed te kijken naar wat nu aandacht nodig heeft, dat vraagt om sensitiviteit en begrip van voorwaardelijkheid.
Monitoring heeft alleen waarde als de gegevens worden gebruikt om te leren en gerichter te kunnen ondersteunen. Het wordt daarmee onderdeel van de professionele cultuur van een schoolteam.
Evaluatie en borging: wanneer spreken we van succes?
Pas als de uitvoering stabiel is, wordt evaluatie van impact zinvol. Evaluatie richt zich, i.t.t. monitoring, wél op het meten wat de aanpak bijdraagt aan leerlingresultaten, leerlinggedrag en/of het welzijn van de leerlingen. Scholen kunnen zelden causaliteit aantonen, maar wél onderbouwde uitspraken doen over de bijdrage die de aanpak heeft gehad aan verbeteringen in leerlingresultaten.
Borging ontstaat doordat kwaliteitsstandaarden helder zijn, routines zijn ingeslepen, het plan levend blijft en wordt aangepast aan nieuwe omstandigheden. Door het initiële plan telkens bij te stellen ontstaat een realistisch implementatieplan dat laat zien hoe bij jullie op school de aanpak wordt uitgevoerd én is ingevoerd. Waarmee het mogelijk óók een haalbaar plan is voor andere scholen. Implementatie wordt op deze manier geen tijdelijk project, maar een ‘zo doen wij het hier’.
Tot slot: welke schakel vraagt bij jullie nu aandacht?
Invoering van een aanpak gaat nooit zoals je het van tevoren hebt bedacht en vraagt om continue bijstelling. Na het lezen van dit blog weet je dat je voorzichtig moet zijn met de vraag: “Is het tijd voor een nieuwe aanpak?”, maar dat je de tijd neemt om gegevens te verzamelen die de volgende vragen kunnen beantwoorden: Op welk gebied wordt onze implementatie nu geremd en waar moeten we nu gericht ondersteunen? Acceptatie? Fidelity? Bekwaamheid? Of haalbaarheid?
Door die vragen serieus te nemen en monitoring slim in te zetten, ontstaat rust, focus en uiteindelijk impact voor leerlingen. Niet door steeds iets nieuws te doen, maar door beter te worden in wat je al gekozen hebt.